Geschiedenis over ‘De Vlijt’

Op 22 mei 1858 werd de pel- en runmolen ‘De Vlijt’ door brand verwoest. Nog in hetzelfde jaar van de brand werd met de herbouw begonnen, maar het werd nu een schors- en korenmolen. Het pellen van gort was toen al sterk verminderd. Type: forse, ronde stenen bovenkruier met achtkantige stelling op een hoog achtkantige stenen onderstuk en met een met hout bedekte kap, afgedekt met gegalvaniseerde platen. Tussen begane grond en omloop drie verdiepingen. De hoogte van de molen bedroeg 26 meter, zijn vlucht 78 voet.
Tegen het verlenen van de vergunning tot het herbouwen bestonden bezwaren wegens brandgevaar. Uiteindelijk werd op 10 augustus 1858 door Gedeputeerde staten deze vergunning verleend, mits de molen geheel van steen werd gebouwd en deze vier el achteruit werd opgetrokken, zodat de huisjes aan het Sluispad (later Sluisgracht) daarvan vrij kwamen; de kap moest met hout, niet met riet worden afgedekt.
De bouw vond plaats voor rekening van G. Worst Kzn.
Op de gevelstenen boven de ingangsboog: ‘De eersten steen gelegd door Jan Worst Geert zn., den 1 oktober 1858.’ Jan was toen 8 jaar. Op de ingangsposten: ‘De’ en ‘Vlijt’. Boven de ingang een houten bord met: ‘Eek- en korenmolen’.

Mosterd


De molenbaard is versierd met een gebeeldhouwde eikel, temidden van eikebladen en het opschrift: ‘De Vlijt 1859’, een toepasselijke voorstelling voor een runmolen. (De baard was op de stenen romp aangebracht).
In de molen bevonden zich één koppel schors- of eekstenen, één koppel stenen voor het malen van voedergranen en één koppel roggestenen voor machinale bemaling. Voorts bevond zich in de molen een kleine mosterdsteen, waarmee echter de fam. Volkerts niet meer heeft gewerkt. A. Hallema vermeldt in het Maandblad Drenthe, jaargang 1949, dat in 1874 twee mosterdmolens in Meppel waren. ‘De Vlijt’ zal er één van zijn geweest. Geleidelijk zijn de 1e maalstenen tengevolge van veranderingen in het maalbedrijf uit de molen genomen en daar zich bij de molen in het geheel geen open ruimte bevond, werden de stenen opgeruimd. Bij de molen aan de Sluisgracht lagen steeds schepen en geleidelijk zijn de maalstenen aan boord gebracht van in de richting Amsterdam varende motorschepen en op de Zuiderzee overboord gezet. Toevallig kwamen
2 maalstenen, een schorssteen en een bakroggesteen bij Schokland terecht, welke stenen na de inpoldering van de N.O.-polder werden gevonden en werden opgesteld bij het Museum op Schokland. Schorsstenen zijn, nu er geen run meer wordt gemalen, zeldzaam geworden. Door het wonderlijke verloop van de maalstenen van ‘De Vlijt’ is tenminste één schorssteen voor het nageslacht behouden. Bij een goede maalwind was de molen, behalve
‘s zondags, dag en nacht in bedrijf. Er werd veel schors gemalen voor de fa. Schuurman en Klinkert. Het korenmalen geschiedde hoofdzakelijk voor de Meppeler grossiers.
In 1890 kocht Herm Jan Volkers, geb. in 1850 te Oldebroek, korenmolennaarszoon uit Wezep, de molen van Gebr. Worst. Volkers woonde in het huis rechts van de molen; toen was de ingang aan de straatzijde.

Gasmotor


In 1922 volgde Barend G. Volkers geb. in 1893 te Meppel, zijn vader op. Bij de geboorte van zijn kinderen zette Volkers zijn molen ‘in de vreugd’, de zgn. komende stand.
Reeds in 1901 plaatste H.J. Volkers een gasmotor in een vierkant gebouwtje, dat links van de ingang van de molen werd opgetrokken. In 1930 werd het maalbedrijfje van elektrische beweegkracht voorzien, waarna de wieken geen dienst meer deden. Geleide volgde afbraak’ in 1933 ontwiekt en in 1938 van de omloop ontdaan. In 1948 en 1955 trachtte de Natuurbeschermingswet Meppel de molen uiterlijk weer hersteld te krijgen, doch zonder resultaat. In 1965 volgde verwijdering van kap en as en werd een gedeelte van de romp afgebroken.





Interwijs B.V.